De woordvoerders van de commissie van wijzen waarschuwen voor cherry-picking in hun rapport. Begrijpelijkerwijs willen ze niet dat de samenhang verloren gaat doordat een partij bewust een of meerdere kernideeën overboord gooit of omgekeerd, concrete beleidssuggesties overneemt in een plan dat vloekt met de geest van het rapport. Tegelijk wekt zo’n waarschuwing wrevel op. Is het niet eigenwijs om zomaar even 70 aanbevelingen als niet voor verbetering vatbaar te presenteren? Belangrijker nog, de boodschap heeft al even onbedoeld iets ondemocratisch. Van verkozenen in 2024 en de onderwijspartners die niet in het denkproces betrokken waren, mag je niet verwachten dat ze alles zomaar klakkeloos implementeren.

Wie na deze intro verwacht dat ik het rapport zal afschieten, heeft het mis. Ik sta achter de kernboodschap die tot in de titel van het rapport doorklinkt en hoop dat het sterke pleidooi voor professionaliteit en professionalisering van alle onderwijsactoren het onderwijsbeleid de volgende tien jaar zal inspireren. Ons onderwijs zou er wel bij varen als alle leraren, directies, schoolbesturen en bij uitbreiding ook alle andere onderwijsactoren, levenslang leren en het integreren in een eigentijds HR-beleid waarvan de commissie de contouren schetst. Dat veronderstelt een collectief engagement, maar ook dat iedereen in de gelegenheid gesteld wordt om dat te doen.

Geen zeven stenen tafelen

De uitwerking die de commissie daaraan geeft, staat wat mij betreft niet in steen gebeiteld. Aan de ene kant laat de tekst terecht veel ruimte voor een invulling op maat, aan de andere kant is hij op bepaalde punten onnodig precies en directief. Zo onderschrijft het rapport in lijn met de VLOR een breed concept van leraar zijn, maar legt het toch specifiek de nadruk op de verdere ontwikkeling van didactische en vakinhoudelijke competenties. Een hart hebben voor jongeren en zich met hen verbinden is fijn, maar om je verder in te professionaliseren is een dergelijke focus minder belangrijk. Op dezelfde manier laat de commissie ruimte voor zowel formeel als informeel leren in persoonlijke professionaliseringsplannen maar laat ze de lezer elders verstaan dat op universitair niveau behaalde kwalificaties een voorwaarde zijn om beter verloond te worden. Impliciet wordt hier meegegeven dat bijvoorbeeld het meewerken aan een praktijkgericht onderzoeksproject of het volgen van een BaNaBa-opleiding aan een hogeschool minder waardevol is dan universitaire microcredits verwerven.

Wat hoopt de commissie dat ambitieuze leraren in het basisonderwijs doen? Denkt zij aan academische online programma’s wiskundedidactiek kleuteronderwijs of schrijfdidactiek voor de tweede graad lager onderwijs? Ziet zij ook ruimte voor muzo- of wero-opleidingen op expertniveau voor leraren die daar meer nood aan hebben? Of kan er ook een programma komen voor leraren in de derde graad die op school de kar trekken inzake Frans of een opleiding coaching en feedback geven? De volgende vraag is dan hoe leraren die zullen kunnen volgen op de gemiddeld 2 uur per week die het rapport voorschrijft, zeker als we verwachten dat ze het geleerde succesvol vertalen naar hun klaspraktijk zodat het de leerlingen ten goede komt.

Een uitgestoken hand

Niet dat ik het ultieme antwoord op deze vragen heb, maar als we er met meerdere actoren dieper over nadenken en meer goede bestaande praktijken van individueel en sociaal leren onder de loep nemen, kunnen we samen een betekenisvolle stap vooruit zetten en de onderwijskwaliteit duurzaam verbeteren. Het rapport, haar auteurs en ons onderwijs verdienen dat er op die manier gevolg aan gegeven wordt.

Johan De Wilde

Co-voorzitter Velov en lerarenopleider bij Odisee hogeschool

foto

Angela_Yuriko_Smith op Pixabay