
“Onze samenleving werd de afgelopen tien jaar veel diverser, maar niet alle scholen volgen die trend. […] Veel witte scholen blijven wit.” Tot deze vaststelling komt de krant De Standaard op basis van eigen onderzoek (DS, 26 augustus). De krant voegt er analyse en duiding aan toe van deskundigen, zoals Orhan Agirdag, Piet Van Avermaet en Els Consuegra. Laatstgenoemde benoemt de problematiek van de ongelijk verdeelde diversiteit in onze scholen zo: “Als we willen leren omgaan met diversiteit, moeten we er geconfronteerd mee worden.” En in een reactie in De Morgen (DM, 30 augustus) stelt Orhan Agirdag: “Alle leerlingen – óók autochtone leerlingen – presteren gemiddeld beter wanneer het curriculum de diversiteit van de samenleving beter weerspiegelt.”
Ik gebruik deze uitspraken graag als springplank voor deze blog. Daarbij spreek ik liever niet van confrontatie met diversiteit, maar eerder van bewustwording, kennismaking, positieve benadering en waardering. Daar willen we in onderwijsland naartoe, toch? Als witte scholen om bepaalde redenen wit blijven en een etnisch-cultureel meer diverse leerlingpopulatie daar achterwege blijft, lijkt het een goed idee om diversiteit daar op een andere manier wat meer zichtbaar te maken, via leermiddelen bijvoorbeeld.
In 2022 verscheen de publicatie ‘Wijze Lessen voor het ontwikkelen, kiezen en gebruiken van leermiddelen in het leerplichtonderwijs’. Het was de voor de onderwijspraktijk bedoelde output van een projectoproep van de Vlaamse overheid met als doel de kwaliteit van leermiddelen te verbeteren. Kort gezegd beschrijven en illustreren de auteurs veertien essentiële en wetenschappelijk onderbouwde kwaliteitscriteria voor leermiddelen. Zonder afbreuk te willen doen aan de waarde van deze publicatie, is het verwonderlijk dat daarin met geen woord wordt gerept over de representatie van (super)diversiteit als kwaliteitscriterium, laat staan over multiperspectiviteit. Onder dat laatste begrip verstaan we: zich losmaken van het eigen, vertrouwde referentiekader, via verschillende invalshoeken naar de zaken kijken én zich kunnen inleven in het perspectief van de andere. Als een samenleving steeds meer superdivers wordt en perspectieven minder eurocentrisch, dan mogen we daar ook in leermiddelen een afspiegeling van verwachten.
Het gaat hier bovendien ook over leren. Nieuwe kennis verankert zich het best in het geheugen als ze aansluit bij voorkennis, dat weten we. De aansluiting bij schoolse voorkennis zit mooi vervat in de opbouw van onze curricula. Veel en steeds lastiger is het voor leerkrachten echter om voort te bouwen op de buitenschoolse voorkennis van leerlingen. Was die pakweg veertig jaar geleden nog redelijk uniform, dan is ze vandaag de dag compleet versnipperd. We leven niet meer in een tijd van maximaal vier televisiezenders, één wekelijks massaal bekeken jeugdfeuilleton en breed gedeelde woordenschat en kennis uit strips als de Rode Ridder, Bessy of Suske en Wiske. De leerlingen van nu brengen een veel diversere kennis- en informatiebagage mee naar de klas, waar de leerkracht nauwelijks zicht op heeft. Van de Vlaamse culturele context afwijkende voorkennis stelt sommige groepen kinderen bovendien achter op school, want hun voorkennis blijft vaak onzichtbaar en wordt dus niet gebruikt om nieuwe kennis aan te koppelen. Uiteraard is dit ook een didactische uitdaging. Daarbij kunnen leraren alle triggers gebruiken om vaker dan nu de herkenbaarheid van leerstof te toetsen aan wat de leerlingen kennen. En zo is het aan ons om leraren daarin op te leiden en te professionaliseren.
De vraag rijst dan: in welke mate is superdiversiteit aanwezig in de huidige schoolboeken? Welke perspectieven op de werkelijkheid vinden we daarin? Een veralgemenend antwoord hebben we niet, maar wel enkele indicaties. De voorbije drie jaar hebben verscheidene educatieve masterstudenten van de Universiteit Antwerpen voor hun masterproef schoolboeken getoetst aan de criteria multiperspectiviteit en representatie van superdiversiteit. Ze deden dat voor hun eigen vakgebied in het secundair onderwijs.
Zo stelt Elke Van Rysse vast dat Campus 4 en Traject 4, methodes voor Nederlands, wel bewust diversiteit en interculturaliteit integreren maar veeleer ad hoc. Traject 4 zet in op neutrale taal en neutrale afbeeldingen voor zowel meerderheden als minderheden. Campus 4 probeert mensen uit etnisch-culturele en/of etnisch-raciale minderheden zo positief mogelijk af te beelden. Zowel Campus 4 als Traject 4 proberen zo ver mogelijk weg te blijven van racial profiling en negatieve stereotypering, maar representatie van mensen met hoofddoeken en mensen uit de LGBTQIA+-gemeenschap ontbreekt.
Lauren Brijs en Arend-Jan Hartman concentreerden zich op genderrollen in Essener en Antropia, methodes Maatschappijwetenschappen voor de tweede graad. In Essener worden bepaalde stereotypen doorbroken, zoals die van de mannelijke politicus. Ook de verhalen van een avontuurlijke zeilster en een vrouwelijke helikopterpiloot dragen daartoe bij. Elders blijft de methode hangen bij stereotypen, zoals het visueel reproduceren van de categorie criminelen en de beroepsgroep agenten/recherche/beveiligers/leger: allemaal mannen. In Antropia zijn mannen meer vertegenwoordigd in beroepen als wetenschapper, ondernemer, politieagent en journalist, terwijl vrouwen meer aanwezig zijn in rollen als verpleegkundige, als ouder en bij verzorgende taken. Stereotypen dus. Hoewel de inleiding van deze methode een groeiend bewustzijn rond gender en diversiteit benadrukt, blijkt uit deze visuele representaties dat bepaalde stereotypen bestendigd worden.
Naïma-Johanna Vanherle vond in twee methodes voor Frans, Nouveau Quartier Couleurs en On y va !?, wel aandacht voor wat we intersectionaliteit zijn gaan noemen (deelentiteiten van identiteitsvorming, zoals geslacht, huidskleur, cultuur, religie, verblijfstatuut enzovoort), maar de dimensies daarvan krijgen zelden een naam. Bovendien komen taboe-identiteiten zoals niet-witte queer lichamen, haar onderzoeksfocus, niet aan bod. Meer nog, in plaats van structurele ongelijkheden aan te spreken, blijven de methodes hangen bij een voorspelbare, reducerende weergave van een superdiverse samenleving.
Marianne Van Camp, ten slotte, maakte een interessante internationale vergelijking van schoolboeken voor het vak geschiedenis in de Verenigde Staten, Ethiopië en Vlaanderen. Ze toonde aan dat schoolboeken in Vlaanderen slechts in beperkte mate inzetten op het ontwikkelen van historisch denken vanuit meerdere perspectieven.
Positief kunnen we al deze resultaten niet noemen: op etnisch-cultureel vlak domineert in deze schoolboeken een eurocentrische visie, terwijl bepaalde stereotypen en vooroordelen (beroepen, genderrollen, sociaaleconomische status, criminaliteit…) worden bestendigd. Dat gebeurt op allerlei manieren: visualisering, keuze van bronnen en teksten, naamgeving, weergave van feiten … Akkoord, het is logisch dat thematische keuzes in een leermiddel mee bepalen welke vormen van diversiteit zichtbaar worden gemaakt, maar het gaat om het complete plaatje en vooral om het vermijden van stereotypering, framing of foute beeldvorming (een foto van een lerarenkamer met uitsluitend mannen zou ook nog enkel passen bij leerstof die naar het verleden verwijst).
Uiteraard zijn al deze analyses van schoolboeken in feite steekproeven. Het is zelfs heel goed mogelijk dat de beschreven methodes het nog altijd beter doen dan andere die niet werden doorgelicht. Maar dat dergelijke tekortkomingen ook in het leesaanbod voor kinderen in school-/klasbibliotheken voorkomen, stelden Christina Van Goethem, Rovena Hoxha, Nancy Marivoet en Anouck Smeets van de AP Hogeschool in Antwerpen twee jaar geleden vast. Voor hun bachelorproef bestudeerden zij het prentenboekenaanbod voor kleuters in acht Vlaamse basisscholen met een verschillend etnisch-cultureel profiel. In 1344 prentenboeken met personen, zowat de helft van het totale leesaanbod, vonden zij 1083 prentenboeken (81%) met een uitsluitend wit hoofdpersonage. Verdere analyses deden hen besluiten dat in het prentenboekenaanbod van elk van de acht scholen, multicultureel of niet, de boekpersonages hoofdzakelijk wit kleurden. Aansluiting bij de leefwereld van de kinderen…?
Onderwijs dat op deze en andere manieren superdiversiteit negeert, zo besluit Orhan Agirdag in zijn boeiende boek ‘Onderwijs in een kleurrijke samenleving’, werkt voor minderheden discriminerend en hypothekeert hun leerprestaties. We vermoeden graag dat uitgevers van schoolboeken volop aan een inhaaloperatie werken, maar er is nog werk aan de winkel. Willen leerlingen met een andere dan Vlaamse etnisch-culturele achtergrond meer aansluiting vinden bij de leerstof en ze ook beter begrijpen en verwerven, dan zijn multiperspectiviteit en superdiversiteit waardevolle en noodzakelijke invalshoeken. Een vijftiende kwaliteitscriterium in het leermiddelenverhaal, zeg maar. En misschien moeten we daar niet te lang op wachten, want dit schooljaar gaat Leerpunt een kwaliteits- en toetsingskader ontwikkelen om de kwaliteit van de leermiddelen te checken. Benieuwd!
Auteur: Jan T’Sas, Universiteit Antwerpen

Illustratie: idee van de auteur, uitgevoerd met behulp van ChatGPT